Besluit rentemiddeling Staatssecretaris Financiën Eric Wiebes - 21 september 2015

De Staatssecretaris van Financiën lost de fiscale bezwaren rentemiddeling op en roept banken en verzekeraars op om rentemiddeling direct mogelijk te maken. 

Datum 21 september 2015 - Fiscale Verzamelwet 2015
Tijdens de plenaire behandeling is ook het onderwerp rentemiddeling aan de orde gekomen. Een aantal leden heeft aangegeven zich zorgen te maken over de reactie van banken dat zij de eerder aan uw Kamer gestuurde fiscale uitwerking van rentemiddeling  niet kunnen uitvoeren. Ik heb tijdens het debat toegezegd dat vanuit het Ministerie van Financiën met de banken gesproken zou worden over de uitvoeringsaspecten en dat bezien zou worden of en zo ja op welke wijze hieraan tegemoetgekomen zou kunnen worden. Ik zou daar bij de behandeling van het Belastingplan 2016 op terugkomen. 

Inmiddels kan ik, mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst, melden dat er een overleg heeft plaatsgevonden met de NVB. In dat overleg is gesproken over de aspecten waar banken tegenaan lopen bij uitvoering van de voorgestane fiscale uitwerking van rentemiddeling. De uitvoeringsproblemen worden voornamelijk veroorzaakt doordat de systemen van banken niet toereikend zijn om de fiscale uitwerking gedegen uit te voeren. In het overleg is een mogelijke oplossing besproken die de uitvoeringsproblemen voor de banken zal wegnemen. 

De aspecten waar banken tegenaan lopen bij uitvoering van de fiscale uitwerking van rentemiddeling zijn:
  • De zuivere rente, de opslag voor boeterente en de opslag voor overige risico’s moeten afzonderlijk worden gerenseigneerd.
  • De overige risico-opslagen komen vrijwel steeds niet voor aftrek in aanmerking. Dit wordt veroorzaakt door het meenemen van de opslag voor boeterente in de toets of de doelmatigheidsgrens van 0,2%-punt wordt overschreden.  
  • Bij leningen waarvoor de fiscale aflossingseis geldt  moet voor het kunnen voldoen aan de fiscale aflossingseis in het annuïtaire schema gerekend worden met enkel de zuivere rente. Het rekenen met een hogere rente leidt tot een lagere maandelijkse aflossing waardoor er een fiscale aflossingsachterstand ontstaat. 
De oplossing lijkt daarin te liggen dat wordt geregeld dat de boeterente fiscaal voortaan in aanmerking wordt genomen als “rente” en niet langer als “kosten van geldleningen”. Voor de aftrekbaarheid van de boeterente als zodanig maakt dit geen verschil. Boeterente (al dan niet uitgesmeerd in het kader van rentemiddeling) is zowel onder de kwalificatie “rente” als onder de kwalificatie “kosten van geldleningen” aftrekbaar. Deze wijziging in kwalificatie brengt met zich mee dat de opslag voor boeterente bij rentemiddeling niet langer afgesplitst hoeft te worden van de zuivere rente. In dat geval hoeft deze opslag ook niet afgezonderd van de zuivere rente te worden gerenseigneerd. Door het aanmerken van de boeterente als “rente”, telt de opslag voor boeterente bij rentemiddeling ook niet langer mee voor de doelmatigheidsgrens van 0,2%-punt. Aangezien de overige risico-opslagen zonder de opslag voor boeterente vrijwel steeds in totaal lager zijn dan 0,2%-punt, blijven deze opslagen onder de doelmatigheidsgrens en kunnen deze daarom tot de aftrekbare rente worden gerekend. Ook in dit geval is afzonderlijke renseignering van deze component niet langer nodig.

Door zowel de opslag voor boeterente als de overige risico-opslagen tot de aftrekbare rente te mogen rekenen, kan voor het vaststellen van het annuïtaire schema worden uitgegaan van het rentepercentage dat de bank in rekening brengt na toepassing van rentemiddeling (dus zuivere rente vermeerderd met opslag boeterente en inclusief opslag voor overige risico’s voor zover deze laatste niet hoger is dan 0,2%-punt). Door deze benadering wordt fiscaal voor de aflossingseis aangesloten bij de vaststelling van de annuïteiten in de praktijk, waardoor er fiscaal geen aflossingsachterstand meer kan ontstaan als gevolg van rentemiddeling.

Met de beschreven oplossing worden banken naar mijn idee volledig tegemoetgekomen in hun bezwaren. Ik ga er dan ook van uit dat er voor de banken geen (fiscale) belemmeringen meer zijn om rentemiddeling actief aan te bieden. 

Zoals ook de Minister van Financiën in de eerdere antwoorden heeft aangegeven  vinden wij het – en uw Kamer lijkt dit te delen – van belang dat rentemiddeling daar waar dit in individuele situaties in het belang van de klant is, beschikbaar is om indien nodig of gewenst een verlaging in maandlasten te kunnen realiseren, zonder de boeterente direct te hoeven voldoen. 

In zekere zin wordt de fiscale aflossingseis met de voorgestelde benadering aan de marge afgezwakt. Immers, het voor de vaststelling van de annuïteiten mogen uitgaan van een hogere rente dan in de oorspronkelijk voorgestane fiscale uitwerking, leidt aanvankelijk tot een lagere maandelijkse aflossing. Hoewel in dit geval het belang van de burger en de daarmee samenhangende beleidsmatige wens om rentemiddeling beschikbaar te houden doorslaggevende factoren zijn, dient naar mijn mening met dergelijke wijzigingen terughoudend te worden omgegaan. Er blijft immers ook een eigen verantwoordelijkheid van banken bestaan om hun uitvoeringspraktijk zodanig in te richten dat aan de fiscale verplichtingen kan worden voldaan. In het gesprek met de NVB is hierop gewezen en de NVB heeft namens de banken toegezegd dat banken zich actief blijven inspannen voor een betere aansluiting van de administratie en systemen op de fiscale eigenwoningregeling.   

De exacte uitwerking van de tegemoetkoming zal komende tijd nader worden uitgewerkt. Daarbij zullen aspecten zoals de benodigde terugwerkende kracht en de eventueel aan de tegemoetkoming verbonden budgettaire aspecten in kaart worden gebracht. Mogelijk wordt de tegemoetkoming in een beleidsbesluit vooruitlopend op wetgeving opgenomen. Ik zal u zoals eerder toegezegd bij de behandeling van het Belastingplan 2016 nader informeren. 

Hoogachtend,

De Staatssecretaris van Financiën,

Eric Wiebes